Verhaal 1: Verborgen Licht- geschreven door Marga Klaassen

Verborgen licht

De deur van het vervallen huis opent. Een jonge vrouw zet haar voet op het gele gras. Het goud
uit haar lange lokken is al lang geleden weggetrokken. Haar groene vriendelijke ogen kijken
behoedzaam rond. De striemende regen maakt het uitzicht nog moeilijker dan normaal. Hezkia
trekt haar camouflerende mantel dichter om zich heen en verbergt zich in haar capuchon. Sinds
de zon permanent is verdwenen moet ze zich niet alleen beschermen tegen de kou, maar ook
tegen de gemuteerde dieren. Waar vroeger de wilde zwijnen in harmonie samen leefden, zijn ze
nu agressiever. Met versnelde pas begint ze aan de wandeling naar de dichtstbijzijnde vesting.
Zo vlug als ze kan, baant ze zich een weg door het verwilderde bos. De regen maakt het
onmogelijk geluiden van op de loer liggende dieren op te vangen. Toch houdt ze zo van het bos
dat ze er nooit aan zal denken haar knusse huis te verlaten en in de vesting te gaan wonen. Daar
is het overigens ook niet veel beter. De mensen daar vechten, gunnen elkaar niets en er is veel
criminaliteit. Toch zal ze eens in de zoveel tijd inkopen moeten doen. De zon is immers niet
meer in staat iets eetbaars te laten groeien in de natuur en in de vesting hebben mensen het voor
elkaar gekregen kassen met kunstzon te maken. Vanonder haar capuchon vangt haar blik een
grote opdoemende schaduw. Haar hart slaat over. Dit is het moment. Dit keer wordt haar tocht
haar fataal. Zo’n groot beest, daar kan ze niet tegenop en doordat ze in gedachten verzonken
was en alleen een klein stukje onder haar capuchon uit gluurde, heeft ze dit niet zien aankomen.
De schaduw is akelig dichtbij. Ze kan niet anders dan stoppen. Met trillende handen zet ze haar
capuchon af en staart recht in de vuurrode ogen van een schuimbekkend zesspan dat een
enorme zwarte koets trekt. De immense beesten met gekrulde hoorns doen Hezkia denken aan
de paarden van vroeger, maar ze zijn vele malen angstaanjagender. Bedeesd stapt ze aan de
kant om het gevaarte doorgang te geven. Achter het met zwarte fluwelen gordijnen omlijste
raam zit een statige vrouw. Haar zwarte priemende ogen kijken ongeïnteresseerd naar het
verregende schepsel. Ooit was Mersina een oude, zonderlinge vrouw. Hezkia herinnert zich nog
de gebochelde vrouw met kort, broos, grijs haar die ook in het bos woonde, altijd mopperend op
de zon. Haar vastberadenheid om de zon te verbannen vatte iedereen op als het
onsamenhangende gebrabbel van een ietwat gestoorde vrouw. Totdat het op een erg zonnige
dag vanuit het niets pikkedonker werd. Alles viel stil en het enige wat nog hoorbaar was, was
een wilde schaterlach. In het begin kon niemand geloven dat het echt gebeurde. De zon moest
wel een keer terugkomen, maar naar mate de dagen weken werden, de weken maanden en de
maanden uiteindelijk jaren paste iedereen zich automatisch aan. Het leven werd grimmiger, de
mensen werden kwaadaardiger, de natuur stierf af en verwilderde en de dieren werden
agressiever. De enige die in de nieuwe situatie opbloeide, was Mersina. Haar korte, grijze, broze
haar werd per dag voller, zwarter en langer. Haar fletse grijze ogen werden diep zwart en haar
asgrijze huid veranderde naar porseleinwit. De zonderling veranderde in een krachtige vrouw
en het duurde dan ook niet lang voordat ze de macht van de weggekwijnde koning moeiteloos
overnam. Haar zwarte zielloze ogen laten iedereen voor haar buigen. Het komt in niemand op
zich tegen haar te verweren. Zelfs het verwilderde bos en de gemuteerde dieren lijken voor haar
te wijken. Hezkia schrikt op vanuit haar mijmeringen. De koets is inmiddels uit het zicht
verdwenen en ze moet snel de vesting bereiken voordat ze ten prooi valt aan al wat zich in het
bos schuilhoudt. Ze gooit haar capuchon over haar hoofd en zet het op een rennen; zo hard als
ze kan. Er klinkt gegrom, gesnuif en geknisper achter haar en ze doet haar best zich staande te
houden. Uiteindelijk voelt ze dat de zachte bosgrond onder haar plaatsmaakt voor de harde
stenen van de vesting. Opgejaagd door de geluiden uit het bos versnelt ze haar pas iets en komt
bruut tot stilstand als ze tegen iets stevigs, maar toch zacht botst. Twee sterke armen voorkomen
dat ze tegen de stenen knalt. Met grote angstige ogen kijkt ze omhoog, recht in de vriendelijke
felblauwe ogen van een boom van een man. Zijn diepe aangename stem maakt haar benen week:
“Wat heb je een haast! Doe je voorzichtig?” “Ik…uhm…nou….bos…enzo”, stamelt Hezkia terwijl
ze een vluchtige blik naar achteren werpt en richting bos wijst. “Maar het bos is toch een fijne
rustgevende plek?” Hezkia staart hem met open mond aan alsof hij zojuist heeft aangekondigd
dat hij de zon achter de wolken vandaan heeft zien komen. “Wie bent u eigenlijk?” “Ik ben Heer
Troufal uit het land Ledovec. En wie ben jij?” “Ik ben Hezkia, meneer.” “Ah, dat komt dan niet
goed uit”, vervolgt Heer Troufal vriendelijk. “Ik ben namelijk op zoek naar jullie koningin. Zij
heet Mersina als ik mij niet vergis?” Hezkia staart hem wezenloos aan. “Maar…. maar…”, stamelt
ze, “Niemand durft naar haar te kijken, laat staan met haar te praten. Ik ben nog nooit iemand
tegengekomen die op zoek was naar haar.” Ze fluistert het laatste woord bijna onhoorbaar
terwijl ze argwanend om zich heen kijkt. Heer Troufal lacht vertederend. “Je zegt dat alsof ze
een boze heks is. Ik heb gehoord dat haar schoonheid niets overtreft en dat ze sterk regeert. Ik
zoek een krachtige koningin aan mijn zijde, daarom ben ik hier.” Hezkia kan er niks aan doen,
maar staart hem weer aan alsof hij gek is geworden. “Ze IS een boze heks! Ze heeft de zon
verbannen omdat ze haar warmte haatte en het licht haar verblindde!” Heer Troufal fronst.
“Hmm…Dat klinkt angstaanjagend, maar ik heb niet dat hele stuk gereisd om nu weer om te
keren. Ik wil haar toch ontmoeten. Weet je waar ik haar kan vinden?” Hezkia knikt. “In het met
doornstruiken bedekte kasteel, maar dat is aan de andere kant van het duistere bos.” “Kom”,
zegt Heer Troufal vastberaden, “Leid jij de weg maar. En kijk niet zo bang, want ik ben er om je
te beschermen.” Voordat Hezkia kan tegensputteren, neemt Heer Troufal haar hand en leidt
haar zijn prachtige ijsblauwe koets in. IJspegels versieren de ramen en binnenin fonkelt alles zo
mooi alsof de zon de allereerste vorst van de winter beschijnt. De paarsblauwe banken zitten
heerlijk, alsof ze van wolken zijn gemaakt. De koets wordt voortgetrokken door een zesspan
ijsberen met zulke felblauwe ogen, dat het lijkt of ze hun omgeving met één blik kunnen laten
bevriezen. Hezkia voelt haar lichaam onstpannen en bedenkt zich dat ze nog nooit zo
ontspannen door het duistere bos heeft gereisd. Vanuit de veiligheid van de koets lijkt het bos
helemaal niet zo angstaanjagend. Terwijl Hezkia aanwijzingen geeft, razen de ijsberen
moeiteloos door de verwilderde bomen, die zowaar lijken te wijken. Ineens stopt de koets
abrupt: ze staan pal voor de poort van het kasteel. Het is een indrukwekkend bouwwerk. Het
klassieke kasteel is totaal omhuld door dikke doornstruiken met zwarte rozen. Een immense
gietijzeren poort met dikke sierlijk gedraaide spijlen die uitlopen in gevaarlijke punten verspert
de weg naar de binnenplaats. Twee doodshoofden prijken op de hekpijlers. Hezkia deinst
achteruit als de ogen van de doodshoofden vuurrood worden en hun kaken krakend bewegen.
“Wie durft zich in mijn domein te wagen?” Heer Troufal recht zijn rug en toont geen spoor van
angst als zijn stem dwingend door de lucht galmt. “Heer Troufal van Ledovec, majesteit. Ik ben
van ver gekomen om te bezien of onze landen wat voor elkaar kunnen betekenen.” “Hahaha!”,
galmt het uit de doodshoofden, “Ik doorzie de streken van mijn onderdanen meteen! Het is een
truc om de zon weer binnen te laten zeker.” “Zeker niet, majesteit! Ik kom uit het land van ijs.”
De stilte die volgt lijkt een eeuwigheid te duren totdat plotseling het hekwerk openzwaait.
Hezkia houdt haar adem in. Daar staat ze, nog nooit is ze zo dichtbij geweest. Heer Troufal
maakt een buiging en loopt dan zelfverzekerd zonder enige twijfel op Mersina af. Hezkia voelt
zich licht worden in haar hoofd. Dit kán niet goed gaan. Verstijfd bekijkt ze het tafereel in
afwachting van de hel die zal losbreken.
Heer Troufal loopt vastberaden op de prachtige vrouw voor hem af. Wat hij heeft gehoord is
waar: haar schoonheid overtreft alles. Ze moet wel een heks zijn, want ze heeft een betoverende
werking op hem. Hij kan zich niet voorstellen dat ze alleen maar boze krachten bezit. Vlak voor
haar stopt hij. “Dag mooie vrouwe”, zegt hij en glimlacht breed terwijl hij een kus op haar hand
drukt. Zijn ijsblauwe ogen kijken recht haar ziel in, waar niet alleen maar zwart te bespeuren is.
Het zal een hobbelige ontdekkingsreis worden om door de zwarte nevel heen te ploegen, maar
hij weet dat hij dat aankan. Zeker nu ze zijn blik met grote zwarte verwachtingsvolle ogen
beantwoordt. Uitnodigend opent hij zijn armen en na een innige omhelzing, leidt hij haar zijn
ijskoets in.
Hezkia staat nog altijd verstijfd naar de leegte tussen het hek te staren. Haar brein heeft moeite
het liefdevolle tafereel te verwerken: de boze, kille heks die nu zelf betoverd leek door deze
liefdevolle reus. Ze kan niet geloven dat de hel niet losbrak. Het is ook niet waar, want op haar
rug voelt ze de warmte van het hellevuur en zo licht wordt het ook. De hele hemel kleurt
vuurrood. Nog één keer wil ze terugkijken naar haar bos, dat toch zo lang haar thuis was. Ze
draait zich om en kijkt recht in de verblindende vuurbal hoog in de lucht die weer warmte en
leven zal brengen.