Verhaal 2: De laatste ontsnapping- geschreven door Yvonne van der Veen

De Laatste Ontsnapping.

Ik sta op een smalle rand van een rots vastgeklemd tegen het steen met mijn vingers wanhopig vastgrijpend in het mos. Ik ben ternauwernood ontsnapt aan ‘De Vreders’ door mij in deze kloof te laten zakken buiten het zicht van deze meedogenloze plunderaars en moordenaars. Door de winter was er geen andere schuilplaats mogelijk om mij zo gauw te kunnen verbergen. Ik zat niet helemaal goed op te letten blijkbaar. Ik struinde wat in gedachten verzonken tussen de bomen door zoekende naar wat eetbaars…een noot ofzo… en heb ze niet op tijd opgemerkt. Ik heb het eerder gezien dat mensen zich verscholen maar toch gegrepen werden door De Vreders. Zij maken gebruik van warmtedetectie. Door takken en bladeren heen blijf je voor hen zichtbaar en een mogelijk doelwit. Soms hebben de vreders een missie en zijn ze op pad ergens naar toe en negeren ze wie ze tegenkomen. Dan heb je geluk als je hen tegen het lijf loopt. Maar dat is een risico dat je nooit wil lopen. Want soms vervelen ze zich en pakken ze onderweg wat ze pakken kunnen. Het gaat ze meestal om je eten of spullen. Maar ze laten nooit getuigen achter. Hele nederzettingen plunderen ze leeg en branden ze tot op de grond af. Hoewel zij voldoende angst aanjagen om verraden te worden zullen zij nooit mededogen tonen. De Vreders zijn overtuigd van hun speciale missie en alle slachtoffers die zij maken rechtvaardigen het hogere doel. Zij moeten onderweg immers zichzelf voeden en zelf overleven. Het hogere doel is dat de vreders vrede op Aarde willen handhaven. Dus ik rende zo hard als ik kon en liet mij in de kloof zakken om mij te verschuilen. Ik voel de schaafplekken branden aan de zijkant van mijn knieën. Mijn hart bonkt in de aders van mijn hoofd. De koude winterlucht snijdt in mijn longen door het versnellen van mijn ademhaling. Volgens mij hebben ze mij niet opgemerkt. De opluchting die ik daardoor voel duurt niet lang.

Wij leven in het jaar 2041. Na de derde wereldoorlog waarin 80, 90% van de mensheid weggevaagd is door nucleaire wapens. In deze tijd leven we in een wereld van kou en mist. Op de meest heldere dag kun je hooguit 50 meter voor je uit zien. De mooiste zonsondergang is slechts een vaag oranje schijnsel in de wazige verte. De nachten zijn gitzwart zonder een ster aan de hemel. De oude generatie van voor WO3 herinnert zich nog de sterrenhemel. Bij de kampvuren ’s avonds in de kleine nederzettingen van de afzonderlijke bevolkingsgroepen die leven als nomaden worden aan de kinderen van de nieuwe generatie verhalen verteld over de sterrenhemel zoals wij die vroeger zagen. Verhalen over vallende sterren en de aftekening van een heldere volle maan aan een rijke sterrenhemel worden door de jongere generaties beschouwd als sprookjes waarvan het waarheidsgehalte door het verstrijken van de jaren meer en temeer in twijfel wordt gebracht. Over de industrie, de steden en scholen wordt niet meer gesproken. Dat is zo gekomen door de zwijgwet die door De Vreders met harde hand wordt gehandhaafd. Er wordt niet meer gesproken over ‘de dingen die ooit waren’ die geleid hebben tot WO3. De school waar de kinderen heen gingen om te leren over politiek en geld. De fabriek waar wapens en telefoons werden gemaakt. Auto’s. Het kantoor waar je naar je werk ging. De winkel waar je je spullen kocht en betaalde met geld of pin. Het internet. TV. Andere media. Alle boeken over dingen die ooit waren zijn verbrand of meegenomen. Het gerucht gaat dat er een geheime stad bestaat waar nog internet is en boeken bewaard worden. Maar het gerucht zou slechts verzonnen hoop kunnen zijn in de fantasie van de mensen. Hoop op een nieuwe wereld zonder kou en honger. Zonder leed. Hoop in deze koude kille verloren wereld zonder uitzicht op een menswaardig bestaan. Er wordt tevens gesproken dat er ergens een wat grotere nederzetting zou zijn waar mensen leven in een duurzame gemeenschap genaamd “De Zuiverheid” waar mensen vreedzaam leven zonder al deze ellende. De Vreders zouden opdracht hebben om deze gemeenschap met rust te laten. Want in ‘De Zuiverheid’ leven de mensen zuiver ‘zonder de dingen die waren’. Zij verbouwen hun eigen voedsel en houden dieren zonder het gebruik van machines. Zij hebben hun eigen waterbron. Zij praten niet over religie, politiek, geschiedenis of de dingen die waren. Zij hebben muziek van voor WO3 uitgeband. Zij leven mindfull in het nu. Gisteren en morgen is voor hen een illusie. Zij zijn zelfvoorzienend en iedereen heeft een zuivere taak die onderdeel is van je recht om er te mogen leven. Alle groepen mensen daarbuiten zwerven in vrijheid omdat zij onderweg zijn naar “De Zuiverheid”. Of omdat zij juist angst hebben voor deze gemeenschap. Of zij zijn verdoemd tot eeuwig ronddolen omdat zij hun vrijheid van denken willen bewaren en hun eigen keuzes willen maken. Omdat zij wel dromen van een nieuwe wereld met een samenleving, ziekenhuizen, scholen, bedrijven. Deze vrijheid wordt betaald met kou, honger en de constante dreiging van gevaar van plunderende Vreders of andere wettelozen. Een Vreder ziet zichzelf als een dienaar van moeder Aarde waaraan de mensheid ondergeschikt is. De nieuwe wetten staan allemaal enkel en alleen in teken van overleving van de Aarde en de natuur. De mensheid wordt beschouwd als een ziekte, een ongedierte, een gif dat bestreden of uitgeroeid dient te worden om de geliefde Aarde te beschermen. Om te voorkomen dat er ooit weer zoiets als een WO3 kan voorvallen. De mensheid heeft in hun ogen zijn kans gehad. Zijn kans om te verbeteren om tot inkeer te komen. Om oorlogen te stoppen. De Vreders werken vermoedelijk voor een hogere macht maar niemand weet eigenlijk precies wie dit zijn. Het is in elk geval geen president of generaal. Die zijn allemaal geëxecuteerd. Alle ambtenaren, leraren, schrijvers, kunstenaars en politici zijn door de Vreders opgespoord en geëxecuteerd. Alle vrijdenkers worden opgejaagd als ratten in een donkere kelder.

Het is stil. De Vreders zijn vertrokken. Ze hebben me niet gezien. Ze hebben me zeker niet gezien anders zouden ze doorgegaan zijn totdat ze mij gevonden hadden. En de wereld gezuiverd van nog een ronddolende vrijdenker. Ik heb het koud. Niet zoals anders, zoals het eigenlijk altijd koud is en ik aan gewend ben. Maar nu voel ik het echt in mijn botten. Alsof de adrenaline van het vluchten mijn gewrichten niet meer soepel houdt. Ik peins me een ongeluk hoe ik hier ooit weer uit kom. De afbraak van spierweefsel door structurele ondervoeding weerhoudt mijn lijf ervan zichzelf te kunnen optrekken uit deze kloof. Over anderhalf uur wordt het donker, gitzwart voor mijn ogen. Hoe lang zullen mijn benen het nog houden om te blijven staan?

Ik denk aan het sterrenkind. Een prachtig meisje met lang roodblond haar, verweven in klitten maar desondanks leek zij nog het meest op een engel zoals ik mij een engel kan voorstellen. Ik ben van de oudere generatie. Ik reed vroeger in mijn auto naar mijn werk voor WO3. Ik had een gezin, een huis in een straat in een dorp in een land. Ik had twee huiskatten en ging naar de supermarkt voor mijn boodschappen. Verboden dingen die ooit waren. Daar denk ik aan. En aan het sterrenkind. Iedereen hield van haar. Ze had niets te geven maar ze was heilig. Ik denk met een huivering terug hoe ze op een dag in mei hing aan haar voetjes, gebonden aan haar dunne bleke enkeltjes met een rafelig touw, haar jurkje groezelig van de modder waarin zij blootsvoets liep en van de worsteling nadat de Vreders haar uiteindelijk vonden. Het verhaal over het sterrenkind verspreidde zich hoe dan ook al gauw onder de verschillende bevolkingsgroepen en nederzettingen en symboliseerde hoop voor de dolende vrijdenkers, ook na haar wrede overgaan. Zij gaf kracht en vastberadenheid aan de groepen mensen die buiten “De Zuiverheid” rondreisden in kleine nederzettingen van tenten, kleden en kartonnen dozen op zoek naar spullen en voedsel om van te bestaan. Soms met enkele paarden of koeien. Vaak met een hond die kunnen waarschuwen als er Vreders in de buurt zijn. Ze zal 8 jaar oud zijn geweest toen het voor het eerst gebeurde. Het meisje schilderde een schilderij van kleurstoffen uit o.a. bessen en mos en houtskool. Je denkt nu, ze schilderde sterren. Omdat wij haar sterrenkind noemen. Maar ze schilderde geen sterren aan de hemel. Ze schilderde een auto. Een kind uit de nieuwe generatie van na WO3 dat helemaal van niets wist. Niets wist van de dingen die ooit waren. Wel schilderde zij een ster. Maar het was er maar een. Het was een heldere ster maar hij scheen niet aan de hemel. Hij scheen op de persoon die in de auto leek te zitten. Een auto zonder dak. Toen ik hoorde van het sterrenkind dat niets kon weten van de dingen die ooit waren en haar schilderij met de auto en de persoon en de ster wilde ik het met eigen ogen zien. Meestal wist ik niet precies waar ik naar toe ging en zwierf ik maar wat rond. Mezelf voedend, in leven houdend. Van de ene schuilplek naar de andere om ’s nachts niet te bevriezen op de koude grond of uit pure verveling. Maar nu trok ik vastberaden rond om het sterrenkind te ontmoeten van nederzetting naar nederzetting en uiteindelijk vond ik haar en het schilderij. Het was zo’n vreemde gewaarwording, een schilderij als dit in een wereld als deze. Een bijster spoor van beschaving zoals ik die ooit heb gekend en in heb geleefd. Ik keek naar de afbeelding. Zo specifiek, de auto. Een zwarte Lincoln Continental. Ik verwonderde mij over de details die het meisje geschilderd had waardoor ik het merk auto herkende. En ik verwonderde mij nog meer over hoe het meisje dit kon hebben geweten. Waarom zo specifiek, vroeg ik mij af. Hoe is dat mogelijk? Het had iets herkenbaars en ik vroeg me af wat het was. Er flitsten beelden van een vroegere tijd voor mijn ogen. Toen keek ik naar de persoon op het schilderij met de ster. Een rilling ging over mijn rug. Ik realiseerde me dat het geen ster was maar een pistoolschot. Het sterrenkind had in het jaar 2040 een exacte afbeelding geschilderd van de vermoorde president John F. Kennedy in zijn Lincoln Continental cabrio uit 1961.

De waanzin van de huidige tijd is realiteit. Het is het leven zoals het nu is. Wij overgeblevenen rouwen niet om wat geweest is. Dat deden we het eerste half jaar. Die eerste periode van geschokt zijn en ongeloof is als een vage droom. Wij proberen alleen te overleven. Want leven is voor ons niet meer naar school gaan of werken. Leven is in leven blijven. Alert zijn op gevaar. Vechten voor voedsel. Wij noemen het niet stelen als we honger hebben en dagen niet gegeten hebben. Stelen bestaat niet meer. Wat je kunt dragen terwijl je nog in staat bent om te rennen om het je niet af te laten pakken is je bezit. Ik kan uren rennen zonder moe te worden. Want lopen gaat te langzaam. Vroeger kon ik amper twee blokjes rond in mijn buurt in het Oude dorp zonder te hijgen. Leven is niet meer de verplichte verjaardagen vieren met de verplichte kadootjes. Leven is vriendschap sluiten met vreemden om jezelf te beschermen. Spullen ruilen. Jezelf verwarmen met een vacht of oude vodden bij een kampvuur. Er is geen centrale verwarming of fornuis. Het leven is niet meer je druk maken op welke politieke partij je zal stemmen. Of welk bankstel het mooist in huis past. Of welke film we na het avondeten zullen kijken op TV. Of wie de vaatwasser inruimt. Het afwegen van maandelijkse inkomsten en uitgaven. Het leven is nu het mijden van de Vreders. Afwegen hoeveel water je meeneemt als je een bron tegenkomt. Teveel put je uit door het dragen ervan. Te weinig en je redt het niet tot je weer een bron tegen komt. Want je weet nooit waar en wanneer je ergens water zult vinden. Ik vond een keer een konijn in een val. Dat was een mooie dag. Wat een geluk en niemand in de omgeving te bekennen. Vroeger sliep ik op een traagschuim matras van 28 cm dik en was elke dag een mooie dag. Het is nu zeker al een maand geleden dat ik een stuk vlees heb gegeten. De gedachte eraan doet me het water in de mond lopen. Mijn schoonzus die ik vroeger had zou me prijzen. Ik denk met een bittere glimlach terug aan haar overtuigd vegetarisme. De vegetariërs in ‘De Zuiverheid’ zijn de enige mensen die nog in een enigszins menswaardige gemeenschap leven. Mijn schoonzus zei altijd al dat vlees slecht voor me was. Zij zou zich wat dat betreft thuis hebben gevoeld in ‘De Zuiverheid’. En zoals ze toen op mij neerkeek nu ook op mij neerkijken als dolende vrijdenker. Maar helaas kan ze dat niet meer sinds zij zoals de rest van mijn familie omgekomen is in WO3.

Er zijn meer sterrenkinderen zoals het meisje van het schilderij. Ik heb de verhalen gehoord. En omdat het meisje van het schilderij echt bleek te zijn moet er iets van waar zijn. Ik heb gehoord dat er een meisje was van een jaar of 9 dat muziek begon te maken en begon te zingen bij een kampvuur. Ze zong ‘Can’t Buy Me Love’ van de Beatles. De oudere generatie zong spontaan mee. Het was een magisch moment van verlichting en verbondenheid rondom dat kampvuur. Daarna ontstond de angst voor het gevaar. Het gerucht gaat dat het meisje sindsdien  verborgen gehouden wordt ergens in een rondtrekkende groep vrijdenkers met een sjaal om haar mond. Zodat ze nooit meer zomaar ergens kan beginnen met zingen. Zolang er nog een sterrenkind ergens ronddoolt is er hoop. En misschien zijn er nog meer van dat soort kinderen. De herinnering aan de oude wereld is in de visioenen en dromen in hen behouden. Zij dragen de erfenis van onze oude cultuur in zich zodat zij niet uit zullen sterven met de oude generatie.

De hoop die het sterrenkind heeft gebracht zorgt ervoor dat ik hier nog steeds sta wankelend op de smalle rotsrand. Wachtend op een wonder. Me vastgrijpend in het mos dat steeds vochtiger en klammer wordt omdat de dag ongemerkt en onvermijdelijk overgegaan is in een ijzige meedogenloze winternacht waardoor ik mijn grip dreig te verliezen. Doordat mijn gedachten aan het afdwalen waren over de ironie van mijn vegetarische schoonzus en de sterrenkinderen heb ik niet eens echt gemerkt dat het inmiddels echt donker is geworden. Gitzwart voor mijn ogen. Daarom sluit ik ze. Het kan hier eindigen. Ik weet dat er een God is. Ik heb hem alleen heel lang niet gezien hoewel ik Hem dagelijks spreek. Telkens als ik denk dat ik omkom van de dorst heb ik op tijd water weten te vinden. Want ik heb Hem erom gesmeekt. Telkens als ik dolers tegenkwam die me wilde beroven of mijn lichaam wilde misbruiken bad ik dat ik weg kon komen. En het is me nog steeds altijd gelukt te ontkomen. Ik ben onzichtbaar geworden in de mist. Ik ben zo grijs geworden als de wereld en de lange lokken van mijn haar. Ik heb gebeden, gesmeekt en overleefd. Ik heb gezocht en gelopen op goed geluk tot ik blaren op mijn voeten had en heb het sterrenkind mogen vinden…. Ik heb het schilderij mogen aanschouwen….! Wat zeg ik, ik heb WO3 overleefd, ik hoor bij de 10 a 20% overgeblevenen. Ik heb mijn vrije denken en mijn vrije wil. Ik heb gekregen waar ik om vroeg. Mijn gebeden zijn verhoord. Ik wil leven en overleven. Ik wil niet sterven in deze kloof. Ik smeek God nog een laatste keer om mij hieruit te redden. Ik bid voor een laatste ontsnapping. Lieve God, haal me hieruit. Of nee, God… breng me naar een plek ver hier vandaan. Weg uit deze kou en mist. Ik doe mijn ogen weer open en ik kijk omhoog uit de kloof.  Ik moet een paar keer knipperen om te geloven wat ik zie. Ik zie een ster! Een kleintje, maar het is onmiskenbaar een ster…..! Ik zie werkelijk een ster want hij is zo echt als het brandende gevoel van mijn schaven. Ik kan het bijna niet geloven. Daarna is het weer donker. En leeg. En net als de kleine glinsterende ster hoog in de hemel doven mijn gedachten langzaam uit.